De rugstreeppad (Epidalea calamita)

rugstreeppad

Foto: Alie Bleeker

De rugstreeppad is te herkennen aan de gele streep die over zijn rug loopt. Overdag schuilt hij onder stenen en bladeren, of in een konijnenhol of zelf gegraven holletje. In de schemering gaat hij op jacht. Hij is behoorlijk actief en verplaatst zich met zijn lange poten via korte sprintjes. Hij legt hierbij grote afstanden af. Als hij wordt gestoord kan hij een dreighouding aannemen waarbij hij hoog op zijn achterpoten gaat staan en zich opblaast om groter te lijken.


rugstreeppad

Foto: Linda Tieke

Een volwassen rugstreeppad wordt tot ongeveer 10 cm groot, het mannetje blijft iets kleiner. De kleur op de rug is geelbruin of grijsbruin met een patroon van groenige vlekken en vaak grote rode of roodbruine wratten. De buik is licht met vaak donkere vlekjes. De stompe kop heeft kleine geelgroene ogen met een horizontale pupil en hij heeft goed zichtbare trommelvliezen. Hij heeft duidelijk zichtbare gifklieren.


Vanaf half april trekt de rugstreeppad naar het voortplantingswater. Hij kan slecht zwemmen en kiest daarom ondiep water waar hij op de bodem kan zitten terwijl zijn kop boven water uitsteekt. De mannetjes maken, met behulp van een grote kwaakblaas onder de kin, een luid ratelend geluid dat lijkt op een nachtzwaluw om de vrouwtjes te lokken. Dit is enkele kilometers ver te horen. De eitjes worden in snoeren afgezet op de bodem van het ondiepe water. De eitjes komen onder ideale omstandigheden al na twee dagen uit, maar bij slechte omstandigheden kan het wel twee weken duren.